Het IndiŽavontuur [1946-1949] van smid Ad van de Wiel

Printerversie
Gepubliceerd op: 25-09-2015 | Gewijzigd op: 01-10-2015
Inleiding
Ad van de Wiel, de bekende 90-jarige Bossche smid, is in de jaren 1946-1949 voor politionele
acties uitgezonden geweest naar Nederlands Indië, zoals de Nederlandse kolonie Indonesië toen nog heette.




Smid Ad van de Wiel woont in een historisch Bosch pand: een smidse uit de 17e eeuw  en een winkeltje met bovenhuis uit de 18e eeuw.
Dat is zelfs voor Bossche begrippen wel erg uniek
.

foto © paul kriele,  3 september 2015.

Ad van de Wiel is er een van een tweeling. Zijn zus Wilhelmina overleed drie dagen na de geboorte. Haar naam is een herinnering aan oma Van de Wiel.
Ad [Adrianus] van de Wiel is genoemd naar zijn opa. Die naam ging over van vader op zoon met telkens een tussensprong, want zijn vader heette Lambertus en diens grootvader ook.
Ad heeft vanaf april 1940 tot in de jaren 90 in de smidse van zijn voorouders- de Scheffers- gewerkt.
Direct afkomstig van de Ambachtschool begon hij bij Oom Martien die getrouwd was met een zus van zijn vader. Zodoende is hij in de zaak gekomen.

----------------------------------------

Uit de toenmalige Japanse bezetting van Indië volgde een Indonesische Revolutie. Daarbij kwamen duizenden Japanners en Indonesiërs om het leven. Ook Nederlanders krijgsgevangenen werden er gedood.
Met tussenkomst van de Verenigde Staten moest Nederland zich terugtrekken en werd Nederlandse Indië in 1949 bevrijd van een koloniale overheerser.
Het grootste gedeelte van Indonesië was nog steeds door de Japanners bezet op het moment van de capitulatie van Japan in augustus 1945.

Ad van de Wiel: vertelt over die periode van krap vier jaar als soldaat van 3-10 Regiment Infanterie [R.I.] [Verbindingen], dat was gelegerd in West-Java.
We kwamen aan op zaterdag 26 oktober 1946 in de haven van Tandjong Priok [Batavia]. Daar verbleven we de eerste tijd in een grote school.

Oorlogsbegraafplaats
Menteng Poelo in Batavia, waar 6.000
omgekomen Nederlandse militairen liggen begraven.
Naar Nederland is in die tijd nimmer ! een
omgekomen soldaat terug vervoerd, zegt Van de Wiel.

Na Batavia was ons verblijf telkens in een kampement dat bestond uit huisjes die in een cirkel stonden opgesteld en waar omheen een hek was opgezet.
De bevolking was meestal vriendelijk en behulpzaam maar de tegenpartij waren de mannen van de Tentara Republiek Indonesia, ofwel de TRI. Dat kon nog wel eens in heftige confrontaties uitlopen.
Onze compagnie heeft het er eigenlijk goed afgebracht, afgezien van enkele doden, maar die zijn door een ander ongelukje, buiten de gevechten om, omgekomen.

Het Nationaal Indiëmonument in Roermond.

Uit Den Bosch zijn 37 soldaten aldaar omgekomen. Voor hen is aan de Zuiderparkweg een monument opgericht.

In Roermond bevindt zich een herdenkingspark waar 6.200 zuilen staan waarop de namen van de bij de strijd in Indonesië en Nieuw-Guinea [1945-1962] omgekomen soldaten.
Op het kerkhof Menteng Poelo bij Batavia liggen ruim 6.000 omgekomen Nederlandse soldaten. De toenmalige regering heeft nooit een lichaam van een dode soldaat terug naar Nederland vervoerd, aldus Van de Wiel.




Een herdenkingsmoment op 15 augustus 2009 bij het Indiëmonument aan de Zuiderparkweg. Daar staan op koperen plaatjes de namen
van 37 omgekomen Bossche soldaten afgebeeld.
 

foto © paul kriele, 15 augustus 2009.

Achteraf gezien
In het begin had ik er nog wel angstige dromen over. Dan lag ik in bed te vechten. Maar dat is toch wel weggesleten
Het kwam ook voor dat ik in bed lag te zweten. Dan droomde ik over de smederij. Kletsnat werd ik dan ’s morgens wakker. Maar dat kan ook aan de medicijnen gelegen hebben.
Mijn broer Walter, die drie maanden na mij ook werd uitgezonden, heeft er nog steeds last van. Maar bij hem moet je niet met Indonesië of zo aankomen.

Nederlandse positie
Nederland heeft de Indonesiërs hun vrijheid ontnomen. Ze waren daar een bezetter die dat land had ingepikt gewoon om haar bezittingen zoals grondstoffen en koloniale waren zoals koffie, thee en rijst.
De bevolking was niet kwaad en zelfs niet tegen ons als militair, maar ze wilden gewoonweg niet dat wij hen onze wil oplegden.

Soldaat Ad van de Wiel [*24 april 1924] over zijn Indië-avontuur
Eerst als jongen in de smederij
Ik riep al als zesjarige dat ik later smid wilde worden. Die kans kreeg ik toen mijn oom Martin, mijn vader is met zijn zus getrouwd, in de smederij in de St. Jorisstraat kwam.
Ik was op 14 april 1940 van de ambachtsschool gekomen en de dag er na stond ik al in de smidse. Voor een rijksdaalder in de week !
Ik had natuurkijk daar al wel geholpen. Bijna elke dag als ik uit school kwam was ik daar te vinden.

Vlak na de oorlog werd opnieuw de dienstplicht ingevoerd.
Zo gauw je 18 jaar werd moest je in dienst. Of je nou wilde of niet. Dan werd je gekeurd. Nou, dat was een nepkeuring.
Dat sloeg nergens op. Als je twee benen en twee armen had werd je al goedgekeurd.
Ad van de Wiel  [90 jaar] vertelt over de reis per libertyschip 'De Sloterdijk' en de belevenissen in West Java gedurende de jaren 1946-1949.

foto © paul kriele,  3 september 2015.

Ik kwam op 1 juli 1946 onder de wapenen, zoals dat heet. En op 1 oktober van dat jaar zat ik op de boot.
Wat ik aan voorbereiding kreeg....? Eén keer schieten in de Harskamp. Vjjf 5 kogels heb ik geschoten en een handgranaat gegooid. Dat is mijn hele militaire opleiding geweest.
We kwamen op in de Frederik Hendrikkazerne in Vught, waar ik was ingedeeld bij het Regiment Infanterie /Staf Verbindingen
Hoewel ik bij de selectieofficier mijn voorkeur uitsprak voor de Genie, weet je wel, dan kun je als ambachtsman nog wel eens wat versieren, maakte ze me radiotelegrafist.

Eerste dag van dienst
Over de voorbereiding voor hun avontuur naar Indië kan Van de Wiel kort zijn:
Marcheren en met een geweer oefenen en weer uit elkaar halen. Dat was eigenlijk het enige wat ik aan voorbereiding heb gedaan. Voordat ik naar Indië ging werd er me geen enkele instructie over radiotelegrafie gegeven. Helemaal niks.
We gingen er naar toe, maar we wisten van geen toeten noch blazen af.



-Links: Frederik Hendrik Kazerne in Vught 
Bij een een les over Verbindingen.
Radio telegrafist Ad staat achteraan 4e van links.
Rechts: Frederik Hendrik Kazerne Vught
Aantreden vlak voor vertrek naar Rotterdam.
Ad staat vooraan in beeld.

De meeste jongens die werden uitgezonden, wij niet zo, maar die boerenjongens, die waren nog nooit hun dorp uitgekomen. Laat staan dat ze op een boot hebben gezeten, of per trein naar een andere stad of land hadden gereisd.
We gingen zomers naar de IJzeren Man of de IJzeren Vrouw.
Als je tegenwoordig aan je kleinkinderen vraagt: Waar ga je naar toe op vakantie? Dan zeggen ze: Ik zit in Ibiza of Mexico of ik ben op safari in Zuid-Afrika geweest.

‘Aspergeveld’ bij het douchen
Ik herinner me ook nog een scene uit die tijd.
‘s Morgens gingen we eerst naar het washok en namen om te kunnen ‘douchen’ onze etensblikken mee. Dat waren zinken lamellen waarmee je elke dag bij de gaarkeuken je warme hap ophaalde.
Maar ’s morgens schepten we daar water mee uit grote ronde waterbakken. Je zeepte je in en met dat blik gooide je je zelf nat.

Iedereen stond er in zijn blote kont Dat was net zo’n aspergeveld daar. Bij die groentjes van 17-18 jaar stond dat ding recht overeind. Het leek wel een aspergeveld. Ik moet er nog om lachen.
Iedereen keek er naar, maar alles went natuurlijk.
Maar de meesten waren toch wel erg preuts. Die mannekes wisten van niks. Ze waren nog nooit van huis geweest.

Vertrek en boottocht met de ‘Sloterdijk’
Na drie maanden ‘opleiding’ en na een week
inschepingsverlof thuis [13 t/m 25 september1946] en wat korte voorbereidinkjes liepen we op 1 oktober 1946 in colonne naar het station van Vught.

Ik heb gewoon thuis afscheid genomen. We moesten van de Frederik Hendrikkazerne lopen naar het station in Vught. Vervolgens per trein naar Rotterdam, waar we die middag om 17.00 uur inscheepten op de Sloterdijk. Dat schip bracht 1.600 man van 3-8 R.I. en 3-10 R.I. naar Indië.

De heentocht verliep met het libertyschip
[een omgebouwd vrachtschip] De Sloterdijk
.

De Sloterdijk was een zogenaamd libertyschip, een omgebouwd vrachtschip.
De soldaten sliepen in dat grote ruim bij het materieel, maar de bemanning had ieder een eigen hut.
Onderin lag meestentijds de voeding en de koeling, drank, aardappels, groenten en het drinkwater. Dat water moest in Port Said ververst worden. En voor de verdere vaart waren er ook weer spullen nodig.

Bier dronken we alleen op feestdagen of als er iets bijzonders was. Maar normaal dronken we thee of koffie.
Zeker eenmaal in Indonesië moesten we elke dag 7 liters thee of water drinken. Dat was voor het vocht, want je zweette je te barsten. ‘

Hollands debacle
Zoals ik vertelde werd ik radiotelegrafist.
Ik kreeg in Indië een doos waarop stond: Niet geschikt voor de tropen.
Da’s alles bij elkaar zo’n debacle geweest, jongen Dat was een schande voor Nederland dat ze ons daar naar toe gestuurd hebben. Want dat ging er niet om die mensen van de Jappen te bevrijden of iets. Daar was iets te halen: aluminium, koffie en thee en rijst van de plantages. Noem maar op.
Het was allemaal voor de Nederlanders bestemd en dat wilden ze zo houden. Daar ging het over. Daarom moesten wij daar naar toe.

Die mensen die er zaten interesseerde ze helemaal niks.
We werden er -nou ja - als vuurpeloton gebruikt, zeg ik maar. Uiteindelijk zijn er in al die jaren 7.000 gesneuveld. Die liggen er allemaal onder de palmen nietwaar. ..

Ook mijn broer naar Indië

Mijn ouders vonden het verschrikkelijk. Dat gevoel werd nog eens versterkt doordat mijn twee jaar jongere broer Walter een half jaar later ook naar Indië moest.

Ads broer Walter vertrok drie
 maanden na Ad ook naar Nederlands Indië.

Mijn moeder ging op een gegeven moment naar dr. Vroom, onze huisdokter. Zij zegt: 'Dokter, zou u er niet voor kunnen zorgen dat een van mijn zoons thuis kan blijven, want we hebben er al een in Indonesië zitten en nou moet die andere ook nog. En we hebben maar twee jongens. We lezen elke dag in de krant: die is gesneuveld en die is gesneuveld.'
Die dokter zegt: 'Mevrouw u moet blij zijn dat uw zoon voor het vaderland kan werken.'
We zijn nooit meer bij die dokter geweest. Dat begrijp je wel.

Improviseren tijdens de boottocht
Alles wat 18 jaar was ging er naar toe, 27 dagen varen op de Sloterdijk..
Dat was een vrachtschip, dat deels omgebouwd was tot passagiersschip en daartoe in diverse ruimen was verdeeld.
Onderin voor de voorraden. Daar boven de ruimen voor de 1600 manschappen.

Wij sliepen in hangmatten in een van de ruimen van het schip. Daar waren aan buizen met koorden zeiltjes bevestigd, wel 4-5 stuks boven elkaar.
Je had er mannen bij, die als ze de kift op iemand hadden, terwijl hij lag te slapen de koorden van zijn hangmatje doorknipten.

Ochtendroede
’s Morgens bij de reveille was het eerste wat je deed gaan poepen. Daar zaten dan een man of tien op een rij te kakken.
Douchen betekende in groepen van 10-15 man onder buizen gaan staan, waar water uit sproeide. Al die mannekes met hun ochtendroede....




Hangmatjes met vijven boven
elkaar in een van de grote ruimen van het schip.
Ad ligt links onderaan.
's Morgens eerst poepen in rijen van tien..


Er werd met die vertoningen aanvankelijk nog gespot, zoals bijvoorbeeld met dat poepgedoe:
Poep je niet dan rust je toch
Komt de baas dan poep je nog.


Het eten aan boord was prima. Dat kwam van de Rotterdamse Lloyd, gewoon Hollandse kost. Daar kan ik niks over zeggen. Al ben ik geen vervelende eter, ik heb er ook nooit last van gehad. Nee, ’s morgens de kuch en ’s middags de warme hap. Dat was dik in orde.

Maar eenmaal na aankomst moesten we Indisch gaan koken. In het begin viel dat tegen, want sommige jongens hadden slechts drie maanden de kokschool gevolgd. Ze hadden ooit een panneke rijst gekookt Die wisten van heel dat Indisch eten niks af. De ene dag was het rijstepap, de andere dag was het niet gaar en dan weer plakte alles aan elkaar of zat er teveel sambal in.
Dat was reden voor de keukenbrigade om KNIL-mensen aan te trekken die voor ons gingen koken. Zij waren bekend met Indische gewoonten en hebben onze jongens koken geleerd.


Op de Sloterdijk voor
de schoorsteen 2e v.r. Ad van de Wiel.

Boottocht met een en al verveling
Die 27 dagen op de Sloterdijk hadden we weinig om handen. Het was de hele dag wachten en in de rij staan om te drinken, te eten, of voor de film of de kerkdienst, de hele dag. En dan mocht je de hele dag boven op het dek gaan zitten. Beneden in het ruim was het niet om te harden. Daar ging je kapot, zo heet als het daar was. Er zat geen airconditioning in. Nou ja, het woord airconditioning kende men niet eens…

Het waren provisorisch omgebouwde vrachtschepen.
Ik ben nooit ziek geweest, ook niet zeeziek. Ik heb er nooit last van gehad.

Aankomst in Indonesië
Met onze compagnieën van het 3-10-R.I. kwamen we aan in Batavia, dat toen Tandjong Priok heette. Dat is de havenstad van Batavia. Er stonden tientallen vrachtwagens klaar om ons naar de opvanglocatie te rijden, een schoolgebouw, enorm groot. Zo iets als de Mariënburg op de Sint Janssingel.
Er waren in de lokalen op veldbedjes voor 600-700 man slaapplaatsen ingericht.

Binnen het half jaar begon de eerste politionele actie en werden we op transport gesteld naar West-Java, waar wij al die jaren in wisselende kampementen hebben verbleven.

In die plaatsen waar we lagen en er trouwde bijv. iemand dan werden we uitgenodigd of we gingen wel eens bij een Indische familie eten. De grote bevolking was niet tegen ons.

Kort na aankomst in Nederlands-Indië kwamen er Baboes bij ons werken. Dat zijn poetsvrouwen die van alles deden, schoenen poetsen, eten koken, de kamers schoonmaken. Dus van allerlei huishoudelijke werkjes.
Deze baboes zijn drie jaar met ons meegegaan, waar we ook naar toe gingen. Het waren autochtone Indische vrouwen afkomstig uit de kampongs rond Batavia.
Meestal mensen die bij wijze van spreken, geen stuiver verdienden. Ze namen hun hele huishouden mee, hun man en de kinderen.

De meesten kenden wel wat Nederlands en uiteraard Maleisisch. Maar dat had ik me als radiotelegrafist ook snel aangeleerd.

Tentara Republiek Indonesia
een  bord in de plaats van Ads kampement in Tangerang


© archieffoto van 28 mei 1946.
 
  Ads legeronderdeel het 10e Regiment Infanterie.


De eerste standplaats was Tangerang. Dat was de hoofdpost. In de buurt er omheen lagen, op kleinere locaties, de compagnieën van 3-10 R.I..

Onze tegenpartij vormden de mannen van de Tentara Republiek Indonesia. Een uit studentenorganisaties voortgekomen leger, dat vocht voor hun vrijheid. Dat was hun goed recht. Het was hun land. Daar hadden we niks te maken. Nederland heeft dat land gepikt.

Maar ik heb in al die tijd nooit een militair van de tegenpartij in uniform gezien.
De enige uitzondering was als Soekarno een bezoek bracht aan Batavia. Dan had hij zijn hele lijfwacht bij zich, uiteraard in uniform en ook bewapend, weet je wel.

Bij de bestandsovereenkomst, toen Indonesië tot een zelfstandige republiek werd uitgeroepen, diende al die mannen, die overal op de eilanden verspreid lagen, zich te melden.
Dat was een leger van duizenden militairen.
Je moet die Tintara zien als de opvolger van onze KNIL, het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger.

Patrouille lopen
Wij liepen dagelijks met een peloton patrouille om de inlanders op wapenbezit te controleren. Maar die gasten wisten dat zo goed te verstoppen.
Je maakte de gekste fratsen mee: De ene liep met een piekenrans. Dat is een stok zeg maar, met twee manden er aan. Die zaten helemaal vol met rijst. Dan moest je en passant voelen of er niet iets onder lag.
Soms was er aanleiding om ook huiszoeking te doen. Maar dat deden we praktisch nooit.

Het peleton van Ad van de Wiel kort na aankomst in Tandjong Priok. 
Verbindingspeleton met links bovenaan dominee Van Gestel
Ad van de Wiel achteraan 2e van rechts
en liggend [links] Simons uit Tilburg
.

© archieffoto 26 oktober 1946.

Op de meeste buitenposten zaten we met 30-40 man. Meer niet. Een peloton stond onder leiding van een luitenant, soms van een kapitein, maar die zag je zelden, die vertoefden het liefst in de grote stad.

Tijdens een patrouille droeg ik altijd een radio op mijn rug, maar ik had natuurlijk ook wapens en munitie bij me. Dat was soms een hele vracht, zeker als je over die dijkjes langs de rijstvelden moest lopen.

Eigen man gedood
In het algemeen genomen heb ik eigenlijk weinig meegemaakt, wat dat betreft. Ik kan niet zeggen dat ik nou echt geconfronteerd ben met het oorlogsgeweld.
Tja, we hebben wel eens een keer een beschieting meegemaakt en ons kamp is ook eens een keer overvallen. Maar dat was allemaal zo betrekkelijk.

Bij een overval op ons kamp hebben we zelfs een van onze eigen mannen doodgeschoten.
Het kwam zo. Een van ons hield veilig achter zandzakken in een schuttersputje de wacht.
Het was nacht, er was niks aan de hand en hij bleef daar rustig bij zijn mitrailleur zitten. Plots komt er een enorm geraas naderbij vanuit de struiken rondom ons.
Die Vissers, zo heet hij, schrok zich enorm de klere. Door dat geweld van die Tentaramannen is hij uit zijn putje gesprongen en gevlucht.
Maar in die verwarring die er ontstond, was hij in het veld voor ons niet te definiëren. Wij hebben dus met zijn allen op hem geschoten. Later toen de rust was teruggekeerd kregen we pas in de gaten dat ook hij geraakt was. Dat was voor ons nog het ergste dat ons kon overkomen.

Ik moet zeggen dat ons onderdeel in al die jaren elf doden heeft gekend. Dus dat is niet veel. En dan nog kende ik ze niet eens.
Als ik mijn compagnie nog wel eens zie, bijv. op de reünie of bij de jaarlijkse herdenking in Roermond, ken ik ze alleen maar van gezicht, niet eens bij naam.



Tandjong Priok

-Links: J. Dekkers, soldaat 1e klas, die tijdens een vervoer met de ziekenwagen werd beschoten.
-Onder rechts: De begrafenis van korporaal Jansen.
-Onder links: Korporaal Vissers die in het veld werd doodgeschoten toen hij uit zijn schuttersputje weg vluchtte.

© archieffoto's 
 

Er zijn er van onze compagnie wel meer gesneuveld.
De eerste dode die we meemaakten gebeurde al in de Frederik Hendrikkazerne. Dat is wel een apart verhaal. Voor ons onder elkaar was het een wat verwarde jongen.
Voor de kazerne lagen op de grond granaten die van een oefening afkomstig waren, te drogen. Die knaap stond er als schildwacht bij. Op een gegeven moment is hij flauw gevallen en van de schrik met al die granaten om hem heen, kreeg hij er bovenop nog een hartaanval.
Dat was gewoon een ongeluk en heeft dus niks met dat oorlogsgeweld te maken.
In de eerste week na aankomst is er al een soldaat in het zwembad Mangarij van de kazerne in Batavia verdronken.

Jaren lange verkering/ Drie jaar droog gestaan..
Drie jaar lang zijn we van huis geweest. Dat gold bijna voor iedereen van ons. In die tijd kwam je nergens. Uitstapjes, uitgaan, of vakanties zoals tegenwoordig, dat was er niet bij.

Mijn vrouw kende ik al voordat ik naar Indië ging. Niet dat we vaste verkering hadden, maar ik kende ze al heel goed. Al die jaren zijn we naar elkaar blijven schrijven.

Toen ik uit Indië terug kwam hadden we natuurlijk nog volop verkering. Het heeft nog acht jaar geduurd voor al eer we gingen trouwen.
We begonnen met niks. We moest alles nog leren. Ik had eigenlijk nog nooit met goed fatsoen gewerkt.

Westwal 21
het toenmalige woonhuis van Ads ouders.
2e v.l. Ads vriendin,
Martina van Hirtum, zijn latere vrouw.

Seksualiteit
Ik was toen 21 jaar, een jonge vent, die drie jaar met honderden andere jongemannen op een schip had gezeten.
Ik snap dat je je afvraagt hoe dat met je intieme gevoelens gaat.
Allereerst moet je je in die tijd kunnen verplaatsen. De normen en waarden, ook op het gebied van seksualiteit, werden nog erg streng en serieus opgevat.
Onze opvoeding, dat is al een geschiedenis apart.
Maar met seksualiteit heb ik nooit problemen gehad. Ik voelde me trouw aan mijn ’vaste verkering’. Acht jaar! In al die tijd gebeurde er helemaal niks.
Dat is dus een heel ander verhaal vergeleken met nu.
Tegenwoordig is het acht dagen verkering en ze liggen al meej in bed.

Bij ons was alles zonde. Dood en verderf werd er gepreekt. Nu is het nog doodzonde wanneer je geen doodzonde gedaan hebt …Wat de pastoor zei, namen we voor waar aan.

Op gebied van seksualiteit werden we op de kazerne in Vught al goed voorgelicht. Beter kan ik zeggen gewaarschuwd.
In Indië had er al van alles rondgezworven: Engelsen, Australiërs en de Portugezen als eerste.
Het besef dat je daar een venerische ziekte kon oplopen zat diep. Daar werd van alle kanten op gewezen. Van het begin af aan. Maar wij waren daar toch te preuts voor.

In het algemeen werd er weinig uitgespookt. En als er een schuine schaats werd gereden, dan waren het dikwijls de ouderen.
Bij een overtreding of misstap volgde meestal disciplinaire maatregelen, of je kwam op eilandje ‘onrust’ te zitten.

Gevlucht voor Arbeidsdienst
Moet je eens nagaan, als ik reken van 14 april 1940 af. Dat was einde school, op 15 april begon ik in de smidse.
Op 10 mei 1940 brak de oorlog uit.
Aanvankelijk was ik nog te jong in de ogen van de Duitsers. Toen had ik er niet veel last van, maar eenmaal op mijn zeventiende begon de ellende. Die Duitsers kregen je in de gaten. Ik werd gestrikt voor de Arbeidsdienst.
Dankzij een oom die bij de Arbeidsbeurs werkte, heeft dat maar kort geduurd.
De Arbeitsdienst dat leek zo half en half op een leger. Je deed niets anders dan met een schop rondsjouwen en wat graafwerk doen. Ik zag het als een verkapte militaire opleiding, zeg maar.

Maar later moesten ze mensen hebben voor Duitsland. Nou, daar was ik ook weer bij.
Ik werd opgepikt en op transport gesteld naar Kassel. Daar hadden ze me ’s nachts ergens in de bergen in een bunker gezet. Maar diezelfde nacht werd heel Kassel door de Amerikanen platgegooid*.

Dat was onze kans om te vluchten. Vanuit Kassel zijn we met acht man gaan lopen tot we uiteindelijk in Roermond uitkwamen. Dat is eigenlijk een onvoorstelbaar avontuur geweest.

*Noot Bomdardement op Kassel
Kassel, de hoofdstad van o.a. Hessen-Nassau,was een belangrijke [oorlogs-]industriestad. Daar bevonden zich de Fieseler vliegtuigfabriek, waar de Messerschmitt Bf 109 en Focke-Wulf Fw 190] geproduceerd werden. Ook de eerste productie van de V1 vond daar plaats.
In de nacht van 27 op 28 augustus 1942 heeft de Bomber Command van de RAF met 306 bommenwerpers stad en streek plat gebombardeerd.


’s Nachts onderweg
Dat zal toch wel meer dan tien dagen geweest zijn dat we er over gedaan hebben. Maar meestal liepen we ’s nachts om niet gezien te worden.
En overdag verdienden we wat bij met koeien melken of wortels uit de grond trekken. Dat soort dingen.
Er was geen mankracht meer beschikbaar, in heel Duitsland niet. Alles zat aan het front.
En al die anderen die bemoeiden zich niet met ons. We kwamen overdag niet op straat. Dan zochten we een schuilplaats in een schuur, onder een brug, of in een hooimijt.

De radiotelegrafist Ad van de Wiel [links] tijdens hun verblijf  in het gebouw 'Jan Pieterszoon Coen' op Batavia.
Op wacht bij station Senen [Batavia]
Ad staat achteraan 2e v.l.

De gewone bevolking was hartelijk. Ik kan niet zeggen dat ik met iemand last heb gekregen.
Je moet dat wel in een andere tijd zien. Het gros van de bevolking is door Hitler gehersenspoeld, die heeft hen zo gek gekregen dat ze dachten een Ubervolk te zijn.

Na terugkeer schuilplaats opgezocht

In Roermond kregen we een lift van iemand die me thuis bij mijn ouders heeft afgezet.
Het eerste wat mijn vader zei was: ’Jongen, als ze ons te pakken krijgen, schieten ze ons tegelijk onderste boven.’
‘Dat kan goed zijn,’ zei ik, ‘maar ik ga toch mooi niet meer terug.’
Toen heb ik nog drie maanden thuis ondergedoken gezeten. Niemand wist daar iets van. Ik kwam ook niet meer buiten.

Als je er na zoveel jaren op terugkijkt is het gewoon onvoorstelbaar. Dat kan niemand snappen.

Militaire dienst
Mei 1944, toen de oorlog afgelopen was, ongeveer een half jaar daarna, werd de eerste lichting opgeroepen. Daar was ik als toekomstig 18-jarige ook weer bij.
De datum precies weet ik ook niet, maar mijn ouders woonden in die tijd op de Westwal [nr. 21].

Kampement
Onze buitenpost –de eerste was Tangerang- bestond uit een plein met daar omheen een groep woninkjes. Daar mochten geen andere mensen komen, alleen degenen die voor ons werkten. Daar heb ik twee jaar gezeten.
Later werd het Garoet en daarop Leles, allemaal op West-Java, maar wel dicht bij de demarcatielijn.

In zo’n dorp stond ook een moskee. Maar wij hadden onze eigen kerkdiensten. De aalmoezenier richtte dan zondags in de open lucht, provisorisch een kapelletje in.
En de biecht afnemen gebeurde onder het loof van een of andere boom.

Ad van de Wiel toen 21 jaar.
Op bezoek bij de Mandoer,
genaamd Adja [opzichter] van het kamp Goenoeng Sindoer.

Het merendeel van onze compagnie kwam uit Brabant en Limburg en daar waren de meesten katholiek.
Er zaten maar weinig mensen bij van boven de rivieren.
De aalmoezenier ging samen met de dominee per jeep al die posten af.

Vrijgevochten bende
Het was een vrijgevochten leven daar in die kampementen. We spraken de leiding niet eens aan met sergeant of luitenant, maar zeiden gewoon Jan of Piet. Het waren kameraden onder elkaar.
Op een dag kwam er een jonge vaandrig uit Nederland bij ons aanzetten.
Bij binnenkomst van het kamp schrok hij zich rot. Wij liepen daar in een bloot lichaam met alleen maar een onderbroekje of een sportbroek aan. Hij had een pet op en liep in uniform.
‘Soldaat kunt u niet groeten?,' riep hij met een hoge stem. En wij zeiden gewoon: ‘Hallo’.

Die nieuwe vaandrig werd een mikpunt van onze ballorig gedrag. Dat begrijp je wel: Die zullen we eens te grazen nemen.
Bij de eerste de beste patrouille spraken we af onderweg, op een teken van de pelotonoudste, als gekken te gaan schieten, gewoon recht in de lucht.
Als hij in de grond had willen kruipen, als dat had gekund, dan had hij dat gedaan.




14 bekenden en 23 onbekenden omgekomen militairen
van de 7 December divisie van het 10e Regiment Infanterie
.

© tekening ad van de wiel
Rechts: Elke soldaat die voor de eerste
keer  de evenaar passeerde ontving een diploma..

De afloop van onze missie
Op een dag vernamen we via de radio dat onze missie beëindigd raakte.
De eerste keer, dat was na twee jaar, kort na de eerste politionele actie. We merkten het aan het feit dat we voor de aftocht weer gekeurd moesten worden.
Maar dat werd afgeblazen doordat er een nieuwe actie op til stond. Dat was dan na drie jaar.
Maar even goed voor ons een hele tijd. Binnen die compagnieën, met al die kerels onder elkaar, daar waren vriendschappen uit ontstaan.

Vroegtijdige terugtocht
Ik ben overigens drie maanden vervroegd naar huis gegaan.
Dat heeft wel even geduurd voordat dat rond was.
Het zat zo: Mijn oom Martien, die de zaak had voortgezet, was in die tijd blind geworden, maar de zaak moest door.
Thuis zijn ze daar lang mee bezig geweest. Ze kregen het niet voor elkaar.
Krap drie maanden voor de werkelijke aftocht van de hele 3-10 R.I. kregen ze thuis bericht dat ik naar huis mocht.

Terugtocht met De Zuiderkruis
Betaalmiddel op De Zuiderkruis.

Ik was de enige - op twee na - Brabander van onze compagnie die aan de terugreis begon. De rest waren allemaal Friezen. Het leek wel een Babylonische spraakverwarring met al die Friezen. Ik kon er geen woord van verstaan.
Dat was met de Zuiderkruis, ook weer een liberty schip, een vrachtschip dus.
De terugvaart was niet veel anders dan de tocht er naar toe.
Nee ik was blij dat ik naar huis kon. Je zat er echt op te kijken.

Ik was met nog twee maten. Van de ene was zijn moeder gestorven. Die moest naar huis toe, maar daar had ie ook niet veel aan. Na 27 dagen varen lag zijn moeder al dagen onder aarde.
De andere, een sergeant, had een ziekte opgelopen, geloof ik.
We hadden op de boot met niemand iets te maken. We hoorden bij geen enkel onderdeel. Maar we moesten wel voor eten en drinken en zo in de rij staan…
Ook toen weer sliepen we in die grote ruimen.

Brieven naar huis
In die ruim drie jaar heb ik uiteraard met mijn verkering correspondentie gevoerd. Tja, wat schrijf je dan, wat je die weken had meegemaakt en dat je van elkaar houdt. Maar je kon toch niet elke keer hetzelfde schrijven.

Blikken ‘V-speldje’ als onderscheiding
Op de vraag of Van de Wiel is beloond of een erkenning heeft ontvangen voor die missie begint hij te lachen.

Praat me niet over onderscheidingen.
Bij die jaarlijkse herdenking in Roermond is nog nooit iemand van het Koninklijk Huis geweest tot twee jaar geleden.
Toen was voor de eerste keer prins Willem Alexander in generaalsuniform aanwezig.
Ik heb er na afloop nog mee staan te praten.
In een grote tent werd een biertje geschonken. De prins stond bij ons aan tafel. Als hij geen uniform aan had gehad en een rode pet op dan had ik niet geweten wie het was.

-Links: 'Tot wederziens in Holland', een
zakdoekje dat zijn vriendin Martina hem stuurde.
-Onder: Ere teken
met ster voor Orde, Rust en Veiligheid...
-Links onder: een rozenkrans en
een scapuliermedaille die Ad bij
vertrek van de aalmoezenier cadeau keeg.

Een jaar daarvoor was minister van Defensie Relus ter Beek aanwezig met een verhaal dat de regering het speet dat ze ons zo slecht behandeld hadden en er geen aandacht aan was besteed. Maar de regering had nu dan toch besloten om ons eenmalig een onderscheiding te geven voor bewezen diensten. Na 65 jaar ! He! Dus daar ging een geloei op. Iedereen begon boehhh te roepen.

Enkele weken erna viel er een enveloppe van het Ministerie van Defensie op de deurmat. Er zat een plastic zakske met een blikken ‘V’-speldje in. De ‘V’ van veteraan. Dat kon je op je revers spelden. Gewoon een blikken speldje !
Ik dacht: dat ze toch barsten met dat blikken speldje. Als je daar na 65 jaar nog mee aan moet komen.

Ik pakte die enveloppe en zette er ‘Retour afzender’ op.
Twee dagen later werd ik door een mevrouw uit Doorn gebeld die me vroeg: ‘Mijnheer van de Wiel u hebt uw onderscheiding teruggestuurd. Is die kapot.’
Ik zeg: “Ik zou het niet weten mevrouw. Ik wil dat hele ding niet hebben.’
Zij: ‘Mag ik dan ook weten waarom?’
Ik zeg: ‘Dat zal ik u gauw vertellen. 65 jaar geleden ben ik naar Indonesië gestuurd, waar ik niks te zoeken had en nu na 65 jaar komt de Nederlandse Regering aanzetten met een blikken speldje. Nou, ze laten hem maar eens buiten hangen.'
Zij: ‘Oh, is dat uw mening, mijnheer van de Wiel. Nou dan wens ik u veel succes. Dag mijnheer van de Wiel.’ En ze gooide de hoorn op de haak.
Ik dacht: ‘Lange neus.

De enige onderscheiding die we gehad hebben is een kistje uit Indonesië. Dat kwam in 1949 via de post thuis aan.
Daarin zat een ere-teken met een kleinere draagspeld, waarop de letters Voor orde rust en veiligheid, maar wij zeiden Vuiligheid.

© pk, september 2015.

Terug naar boven